Klankatlas

Mike Kramer – Mijn Gehoord(d)

Mike Kramer over de mijnen en de steenkoolwinning

Dankzij de mijnen en de steenkoolwinning was de Nederlandse provincie Limburg in de eerste zeven decennia van de vorige eeuw voor de Nederlandse economie een factor van groot belang. Die Mijntijd was voor Limburg een periode van grote economische bloei, met name in de jaren van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog.

l
r

Een bloei, trouwens, die vanaf de jaren 1960 voor een niet onbelangrijk deel te danken was aan een stroom van immigranten, vooral uit Turkije: van de ruim 50.000 arbeiders werkzaam in de mijnindustrie was aan het einde van de zestiger jaren ruim 11% van buitenlandse afkomst. In de loop van de zestiger jaren nam de vraag naar steenkool echter af . We gingen voor onze energievoorziening op steeds grotere schaal over op olie, kernenergie en aardgas; geen stoom meer, maar elektriciteit. Het leidde uiteindelijk tot de sluiting van alle mijnen.

In 1974 was de Limburgse Mijntijd verleden tijd.

M.K. – ‘Dat was een klap. Toen de mijnen dicht werden gegooid viel de provincie in een economisch gat. Letterlijk. Er is daarna weliswaar heel krampachtig geprobeerd om door vervangende banen, met nieuwe industrieën, een ‘nieuwe economie’ van de grond te krijgen, maar een groot succes is dat nooit geworden. De hele provincie werd daar de dupe van. En daarvan merken we de gevolgen nog steeds.’

Ik kan me alles heel goed herinneren wat in de zestiger jaren met kolen te maken had: de kolenberg, de kolenboer, de kolenkit, de kolenschep, de kolenkachel en in elk tuintje van elk nieuwbouwhuisje in elke nieuwbouwwijk een kolenhok … Tot op een goeie dag ineens alle kolenkachels door gashaarden werden vervangen.

M.K. – ‘Ja. Ik denk dat je wel kunt zeggen dat het aardgas de kolen – en daarmee de mijnen – het nekschot heeft gegeven. Maar het is natuurlijk een heel bijzondere periode geweest. En een heel bijzondere tak van nijverheid. En daarom ook zo’n mooie ingang voor een klankatlas stuk. Ik woon en werk zelf in Heerlen, en dat was in de Mijntijd één van de centra. Je kunt je de afmetingen van de gangenstelsels nauwelijks voorstellen, die daar en op de andere mijnlocaties in Limburg in die relatief korte tijd voor de mijnbouw zijn gegraven. Vele tientallen kilometers, ook onder het centrum van de stad, en gangen die tot op meer dan achthonderd meter diepte lopen. Maar het is natuurlijk allemaal onzichtbaar, en dat is nou juist wat mij opviel en intrigeerde: dat er nog maar zo heel weinig zichtbaar is van die Limburgse Mijntijd. Het krampachtige zoeken naar een nieuwe identiteit heeft ervoor gezorgd dat die geschiedenis bijna bewust is weggevaagd. Ja, een handjevol vroegere mijnwerkers dat nog in leven is, en die je bijvoorbeeld ziet in de oude familiekroeg bij mij aan de overkant van de straat, waar het ook nog volhangt met ouwe mijnattributen. En in Brunssum zie je in de tuintjes nog de kolenkarretjes staat. Wat foto’s, een paar boeken, wat videobeelden… En dan denk ik nog niet eens aan audio. Nee, ik vind het bijzonder wrang om te constateren dat zo’n rijk deel van de lokale historie eigenlijk maar nauwelijks gedocumenteerd blijkt te zijn.’

Denk je niet dat er ook een stukje schaamte inzit? Er werden per slot van rekening, naar huidige maatstaven onder erbarmelijke omstandigheden, tienduizenden aan het werk gezet. In stoffige, donkere kruipgangen honderden meters onder de grond, in ploegendiensten van acht uur…

M.K. – ‘Dat is inderdaad één van de punten waarvan ik uiteindelijk op de hoogte ben gebracht. Maar dat moet je wel plaatsen in het perspectief van die tijd. En je weet toch dat maar een stukje verderop, in het Ruhrgebied, ook nu, in 2012, 2013, jongens van een jaar of 19, 20 in mijnschachten werken? Dus waarom schamen mensen zich?’

Zijn er in Nederlands Limburg plekken waar je de ondergrondse delen van de vroegere mijnen nog kunt bezoeken? Schachten? Gangen?

M.K. – ‘Voor zover ik weet zijn er twee mijnmusea. Ze geven wel een aardig beeld van wat er werd gedolven, de apparatuur en de gereedschappen die gebruikt werden, de werkkleding en dat soort dingen, maar die zijn allebei bovengronds. Waar je wel echt de grond in kunt, dat is in het mijnmuseum in Genk, in België. In Nederlands Limburg staat het grootste deel van de mijngangen onder water. Vaak door natuurlijke oorzaken. Maar het heeft ook grote voordelen, want het beperkt het instortingsgevaar.’

Een documentaire film uit 1919 (‘Kijkjes in het bedrijf der Staatsmijnen in Limburg’, Hollandia Film Haarlem) geeft een bijna surrealistisch beeld van hoe het er een eeuw geleden in het Limburgse land in en om de Staatsmijn Emma aan toe ging, die van 1911 tot 1973 tussen Treebeek en Hoensbroek was gevestigd. We zien hele scholen mijnwerkers per trein op het mijnenterrein arriveren en zich vervolgens in gigantische kleedruimtes verkleden. Via liftkooien aan lange staalkabels, die over kabelschijven met een doorsnee van 6 meter lopen, verdwijnen de ploegen honderden meters onder grond, om in de gangen op de zogenaamde kolenposten de kolenlaag los te hakken en in een schutgoot te scheppen. De schutgoten voerden de kolen af naar de mijnwagens, die in de kleinere gangen door mijnwerkers (de slepers) werden gedreven. In de wat ruimere gangen gebeurde dat met paarden, en op 259 meter onder de grond was er daarom een paardenstal. Het hoofdvervoer gebeurde met op samengeperste lucht werkende locomotieven, die 40 wagens met een totale inhoud van ongeveer 25000 kilo konden trekken. Via de liftkooi geraakte het gedolven materiaal vervolgens bovengronds, waar het werd gezeefd, gewassen, op grote gesorteerd of ook nog anderszins verwerkt werd.

Het is een film zonder geluid, en vertelt dus maar een deel van het verhaal. Hoe klonken die enorme machines, hoe klonk het loshakken van de kolen, de schutgoot, het ratelen van de kolenwagens… En hoe klonken paarden die in die diepe gangen kolenwagentjes versleepten?

M.K. – ‘In ‘Mijn Gehoor(d)’ probeer ik op een chronologische manier iets van die mijnklanken te reconstrueren. Ik maak daarbij gebruik van een verzameling van field recordings, die ik vervolgens in de compositie met een bepaalde logica neerzet. Ongeveer vanaf het moment dat vroeger een mijnwerker de lift instapte en naar beneden werd gebracht, via het delven en vervoeren van de steenkool, tot het moment dat die man weer boven kwam.’

Hoe ben je aan het klankmateriaal gekomen voor je stuk? Heb je geluidsopnames uit die tijd teruggevonden en kunnen gebruiken? Of ben je op een andere manier te werk gegaan?

M.K. – ‘Ik gebruik zeggen en schrijven één sample, uit een film, van een trein die aan komt rijden, in het begin van de compositie. Maar alle andere geluiden die je hoort, heb ik zelf opgenomen. Ik kon daarvoor in het Nederlands Mijnmuseum in Heerlen terecht. Dat is gehuisvest in het schachtgebouw van schacht II van één van de vroegere Oranje-Nassau mijnen, de ON I. Die Oranje-Nassau was trouwens geen staatsmijn, maar een particuliere mijn. In het museum heb ik een al mijn mijngeluiden opgenomen, met al het materiaal dat er daar beschikbaar was. Ik heb letterlijk met de kettingen en de metalen werktuigen gerateld. Het museum heeft ook legio bakken met allerlei verschillende soorten koolsteen, zand, grind et cetera. En elk van die materialen heeft zijn eigen, kenmerkende, geluid. En met een lang touw heb ik een microfoon in een liftschacht laten zakken, om zo toch in zo’n schacht geluid kunnen opnemen, hoewel ik er niet in mocht. In feite zijn het twee torens. Eén toren diende om het vervoer in gang te houden. Met die enorme wielraden die de liften op en neer hebben gehaald; met de andere schacht werd, als ik me niet vergis, de luchttoevoer geregeld. In beide schachten kun je in het bovengrondse gedeelte komen. Er is uit die tijd, voor zover ik weet, maar heel weinig origineel geluidsmateriaal bewaard gebleven. Maar van de toren waar de grote machine staat die voor het transport zorgde heeft het museum wel nog een authentieke opname. Daarvan kun je dus nog horen hoe dat vroeger heeft geklonken. Als ze dat voor je op straaljager-volume afspelen… geloof me maar, daar schrik je wel even van. Het is nu onvoorstelbaar dat mensen het werken in zo’n omgeving konden volhouden, met de schamele voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen die er toen van toepassing waren…’

‘Mijn stuk begint met die opname van een trein die aankomt, en het geluid van een sirene. Die passage kun je vóór of achter in het stuk denken. Want die geluiden kunnen natuurlijk zowel aan aankomst als aan vertrek refereren. Dat laat ik bewust vrij, want in die zin kan het stuk dus ook herhaald worden, en als een loop worden afgespeeld. Vervolgens zijn er geluiden zoals bijvoorbeeld het neerdalen van de lift, het geluid van stenen en metalen die onderling, maar ook met hun omgeving in contact komen. En dan is er nog het geluid van de luchtschacht zelf, wat heel erg intens werkt, en waarbij er, letterlijk, een fysieke druk ontstaat … Dat soort ideeën spelen heel erg een rol.’

Was er aan je bijdrage aan de Klankatlas behalve een geluidscompositie ook een performance verbonden? Heb je het stuk voor een specifieke ‘mijnlocatie’ gecomponeerd?

M.K. – ‘Nee, het is niet voor een specifieke locatie geschreven. Maar ik heb het wel een aantal keren live uitgevoerd. Het is een stuk van ongeveer zeventien minuten, en bij een live-uitvoering – of laten we het semi-live noemen – is de compositie over verschillende klanksporen verdeeld, waarbij ik per spoor het volume en de klankkleur aan kan passen. Als klankkunstenaar zoek ik zo steeds weer de dialoog met de ruimte waarin ik mij bevind. Iedere uitvoering zal dan ook anders zijn.’

Wat mij opvalt is dat de acteurs – de makers van de geluiden, de mijnwerkers – in het stuk ontbreken.

M.K. – ‘Dat klopt, ja. Dat is een keuze, die waarschijnlijk toch in het verlengde van mijn methodiek ligt, en het gevolg is van een bepaalde, persoonlijke smaak. In al mijn werk komen mensen amper voor. En waarom dat zo is? Daar heb ik eigenlijk niet een heel directe verklaring voor. Het is zeker niet zo dat ik een hekel aan mensen heb. Wel denk ik dat ik vaak geremd wordt door het feit dat een menselijke stem in een auditieve context vaak heel erg dwingend aanwezig is. Een stem duwt het verhaal vaak meteen in een heel bepaalde richting op. En dat probeer ik misschien te vermijden. Ik hou van verbeelding. Hoewel juist dit stuk natuurlijk ook zonder stemmen in een vrij specifieke, eenduidige verhalende richting wijst.’

Heb je er een voorstelling van hoe de wereld van die mijnwerkers daar zo heel diep onder de grond, in die smalle gangen, heeft geklonken? Galmde het er? Galmde het een beetje, of galmde het heel erg? Of werd juist alle geluid er geabsorbeerd?

M.K. – ‘Het meeste werd geabsorbeerd. Een mooie anekdote is dat ik daar bij een live-uitvoering van het stuk door één van de laatste nog levende mijnwerkers – de man is nou ruim over de tachtig – op werd gewezen. Het ging daarbij om het geluid van metaal dat op steen slaat. Die man zei na afloop tegen mij dat het niet klopte. Zo had het vroeger in de gangen niet geklonken, zei hij. Ik had dat geluid uit artistieke en esthetische overwegingen een bepaalde galm gegeven. Maar in de échte gang galmde het absoluut niet. Wel in de schacht , en in de lift. Maar niet in de gang. Dat is iets wat ik pas achteraf heb beseft. En dat neem ik natuurlijk mee in een eventueel vervolg. Maar, aan de andere kant: de compositie is natuurlijk nooit bedoeld geweest als een historisch correcte, een zo waarheidsgetrouw mogelijke, reconstructie. Het is in de eerste plaats natuurlijk mijn artistieke interpretatie, mijn beeld van die klanken.’

Niet alleen in Limburg, maar over de hele wereld zijn er mijnen, waarin niet alleen steenkool, maar van alles en nog wat wordt gedolven. Denk je dat er een typisch Limburgs mijnengeluid is? Of is mijnenklank mijnenklank?

M.K. – ‘Veel van de infrastructuur in en om mijnbouw zal natuurlijk op de meeste plekken vrijwel hetzelfde klinken. Een mijnlift is een mijnlift, of die nou in Zuid-Amerika, in China of in Heerlen staat. Maar de klank van de materialen, die is  overal anders. Goud, diamanten, steenkool … dat zijn allemaal heel verschillende auditieve werelden! En hier had je natuurlijk ook de leisteen. Platte leisteen, dat is al bijna een muziekinstrument. Daar kun je een xylofoon van maken. Dus ik denk zeker dat je veel verschillen en karakteristieken zult vinden. Dat is wel interessant, eigenlijk. Voor mij mag die opdracht komen. Dan ga ik op allerlei verschillende plekken in de wereld aan de gang om mijnstukken te maken…’

Harold Schellinx

Reageren

Laat ons weten wat je denkt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste, en plaats een reactie

Artikel delen

t
f

Meer informatie

Gerelateerd klankpunt

Mijn Gehoor(d)

Meer van Mike Kramer