Klankatlas

De koppeling tussen beeld en klank is heel direct

Maria Blondeel over haar soundscape De Kortste Dag (2010)

De kunstenaars die deelnamen aan het Klankatlas project kregen als opdracht een plaats in Limburg te kiezen en die vervolgens te ‘verklanken’. De meesten onder hen lieten zich inspireren door de geluiden die ze op die specifieke plekken waarnamen, dat ging van tierelierende vogeltjes tot brommende motoren en sissende machines. Ook Maria Blondeel koos een plek uit, maar ze trok zich voor de rest heel weinig aan van wat daar leeuwerikte of wielewaalde. Zij koos Diepenbeek en zou het weer van de kortste dag van het jaar - 22 december in 2010 - omzetten in klank, in een soundscape van 12 minuten. Maar hoe klinkt het weer? Kan je niet enkel het geluid van regen of wind opnemen? En zon of dwarrelende sneeuw kan je toch al helemaal niet horen?

Maria Blondeel: In tegenstelling tot de andere soundscapes die opgenomen zijn in de Klankatlas, gebruik ik geen microfoons om geluid op te nemen, ik werk met sensoren. Vroeger waren dat lichtsensoren of foto-elektrische weerstanden, recenter werk ik met beeldsensoren, zoals CMOS-chips van digitale camera’s. Die kunnen aangesloten worden op elektronische klankgeneratoren of computers. De hoeveelheid lichtinval op de sensoren bepaalt daarbij de toonhoogte: veel licht resulteert in een hoge frequentie, weinig licht in een lage. Vanuit dat minimale concept ben ik vertrokken om mijn beeld- en klankcomposities te genereren. Ik heb vroeger eens een diaprojector laten ombouwen om een plaatje met twaalf lichtsensoren op de plaats van het objectief te kunnen bevestigen. Als er vervolgens een diaraampje met een diapositief op de twaalf sensoren geprojecteerd werd, kregen die allemaal – al naargelang de densiteitverdeling in het beeld – een verschillende hoeveelheid licht te verwerken. Zo kon ik dus via een heel directe methode beeld omzetten in klank (Sound for slideprojectors, 1986-87).

Heb je dan, in plaats van klankopnamen, foto’s gemaakt van de Diepenbeekse winterlandschappen?

Maria Blondeel: Om te beginnen moet ik vertellen dat ik Diepenbeek gekozen heb omdat er het automatisch weerstation van de provincie Limburg staat opgesteld. Dat weerstation beschikt over een webcam die in verbinding staat met het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI). Het gaat dus niet enkel om die ene locatie in Limburg maar er zijn meerdere locaties met elkaar verbonden opdat men in het KMI het weer zou kunnen voorspellen. Mijn atlaskaart heeft dus een tijd-ruimtelijke vorm gekregen die boven de landsgrenzen uitreikt: de Europese weersatelliet METEOSAT met infrarode en visuele wolkenbeelden bevindt zich in een geostationaire baan ter hoogte van de evenaar. De neerslag boven Limburg wordt waargenomen door twee weerradars: één in Zaventem (Belgocontrol) en één in Wideumont (KMI). Ik maak ook gebruik van de numerieke voorspellingen voor neerslag, temperatuur en wind van het weermodel ALARO, dat is een computerprogramma dat de evolutie van de atmosfeer simuleert. Deze gegenereerde beelden zijn nog niet gecorrigeerd of geïnterpreteerd door de voorspellers van het KMI. Eveline Heylen zorgde voor de nodige contacten met de weerkundige dienst, waar ze blij waren om te kunnen meewerken aan mijn artistiek project. Ze hebben dan ook verschillende types van weerkaarten ter beschikking gesteld die betrekking hadden op die 22ste december. Dat zijn geen papieren exemplaren maar digitale beelden die in een filmpje kunnen gemonteerd worden. Die montages kunnen dan bijvoorbeeld het voorbijtrekken en de dikte van wolkenmassa’s visualiseren, maar ook temperaturen, regen of wind. Naast die kaarten, die vanuit de ruimte door satellieten en radars gemaakt worden, wilde ik ook een feitelijke vaststelling hebben van het weer en de impact ervan op de Diepenbeekse atmosfeer, het landschap. Daarvoor heb ik de beelden van de webcam gebruikt die het 24-uursverloop van die dag in december heeft vastgelegd. Het was een korte dag, hetgeen resulteerde in een aanzienlijk deel donkere beelden. Overdag sneeuwde het, met een wit landschap tot gevolg.

Hoe gebruik je dan zulke beelden voor een soundscape?

Maria Blondeel: Dat gebeurt met een computer en software zoals Max/MSP/Jitter, waarin zowel met klank en beeld als met de combinatie van de twee kan gewerkt worden. In een digitale context worden zowel klinkende als visuele fenomenen behandeld onder de vorm van numerieke informatie, digits, nullen en enen. In dit werk ga ik uit van het simultaan afspelen van tien kanalen met satelliet-, radar- en webcambeelden die evolueren van nacht naar dag en weer naar nacht en dit genereert steeds veranderende clusters. De vierentwintig uur van een etmaal worden gereduceerd tot 12 minuten muziek, twee uur aan beeldmateriaal wordt versneld tot één minuut. Het is dus niet helemaal zo dat ik me op de één of andere manier door beelden laat inspireren, zoals componisten dat vaak gedaan hebben, om dan vervolgens een stuk te schrijven. De koppeling tussen beeld en klank in mijn werk is heel direct van aard.

Welke impact heeft deze werkwijze op het auditieve resultaat? Horen we als het ware wolken voorbijtrekken?

Maria Blondeel: Mijn initiële verwachting was dat je de evolutie van nacht naar dag en weer naar nacht duidelijk zou horen. De nacht – zo dacht ik – gaat samen met een opeenvolging van donkere beelden, de dag met lichtere kleuren. Ik ging ervan uit dat die lange visuele donkerte van de kortste dag en langste nacht zou resulteren in stille, lage klanken die langzaam zouden overgaan in hogere tonen. De aangename verrassing was echter dat de metingen van de radar gemaakt worden door middel van elektromagnetische straling en dus geen visuele standaard opleveren. Deze metingen door radiosignalen en dergelijke zijn niet afhankelijk van zichtbaarheid, met andere woorden er is geen onderscheid in de waarneming tussen de dag en de nacht.

Je kon je oorspronkelijke idee eigenlijk dus niet meer verwezenlijken?

Maria Blondeel: Zo ga ik niet te werk. Het gaat hier veeleer over het verwachte resultaat van een concept. Dat laatste bleef overeind. Trouwens, de webcam in het weerstation van Diepenbeek maakt natuurlijk wel visuele opnames en twee van de satellietbeelden waren ook van die aard. Dat wil zeggen dat mijn voorspelling maar voor een deel werd waargemaakt, je hoort die evolutie wel degelijk, ze is gewoon minder sterk dan aanvankelijk gedacht. Maar die onvoorspelbaarheid maakt het natuurlijk net interessant. Mocht ik me het klinkende verloop op voorhand volledig kunnen voorstellen, dan zou ik het niet meer de moeite vinden om zo’n experiment op te zetten.

Kunnen we stellen dat de muzikale dramaturgie, het gecreëerde spanningsverloop voor jou eigenlijk niet centraal staat, dat je zelf verrast wil worden door wat ontstaat?

Maria Blondeel: Het is mijn bedoeling om processen in gang te zetten en dan vast te stellen waarin ze resulteren. Dat is een manier om kunst te maken, maar ook een vorm van onderzoek. Die twee zijn in mijn ogen met elkaar verweven. Een muzikaal zinvol verloop interesseert me eigenlijk dus niet, ik voel me geen componist. Ik wil onderzoeken hoe een autonoom beeld – geen partituur dus – in klank kan worden omgezet en omgekeerd, maar ook wat dat doet met onze perceptie, hoe we dergelijke fenomenen waarnemen. Toen ik aanvankelijk met geluid begon te experimenteren, koos ik bijvoorbeeld ook voor pulsgeneratoren om de klanken te genereren. De blokgolven die daardoor geproduceerd worden, beschouwde ik als het meest ‘wetenschappelijke’ geluid dat te vinden was. Ze worden immers gebruikt om bijvoorbeeld akoestische metingen te verrichten. Luisteraars associëren ze doorgaans ook niet met muziek maar eerder met het gebrom van de motor van apparaten zoals een stofzuiger en een koelkast. De connectie met wat traditioneel gezien als muzikale klank beschouwd wordt, wilde ik vermijden. En die motorgeluiden vond ik net mooi, omdat ze toch ook wel dé klanken van de twintigste eeuw zijn. Het is de verdienste van componisten zoals John Cage, dat we naar dergelijke alledaagse geluiden hebben kunnen leren luisteren. De blokgolven vormen trouwens ook in De Kortste Dag nog steeds het uitgangspunt voor alle klanken. Je hoort ze vrij ongepolijst, alhoewel ik ze vandaag niet meer zozeer associeer met het niet-muzikale of het wetenschappelijke. Die klanken zijn gewoon deel van mijn werk geworden.

In De Kortste Dag hoor ik anderzijds wél heel duidelijk een grote drieklank op de voorgrond. En dat is toch ook een akkoord dat onlosmakelijk verbonden is met de westerse muziektraditie, met klassiek en pop…

Maria Blondeel: Dat klopt, die drieklank zit er wel degelijk bewust en niet toevallig in. Ik heb in mijn werk een ‘missing link’ bedacht tussen beeld en geluid en dit vooraf in een interface geprogrammeerd. De mengkleuren van het licht en de samenklanken van het geluid vormen daarin een soort van rode draad, een basisgegeven. Het zijn als het ware kleurdigits die klankdigits worden. Er worden miljoenen lichtkleuren door de interface omgezet in miljoenen hoorbare microtonale frequenties. Een videobeeld is opgebouwd uit 3 lagen: Rood, Groen en Blauw; de interface zet uit elke laag 256 pixels om zodat ik door de drie kleurlagen drieklanken kan genereren die zodanig gaan samenklinken dat zij voor het muzikale oor samensmelten tot een gestalte. Wij horen de drieklank steeds duidelijk als een centraal aanwezig element.

De Kortste Dag doet me sterk denken aan de drone-composities van Phill Niblock. Statische klankblokken, trage evoluties die zéér luid worden afgespeeld in de concertruimte. Die luidheid heeft een sterke fysieke impact op de luisteraar. Prefereer jij zelf ook niet een goede klankinstallatie in een concertzaal boven een digitale geluidsfile op Soundcloud die bovendien meestal met koptelefoons of computerluidsprekers zal beluisterd worden?

Maria Blondeel: Phill Niblock is een goede vriend met wie ik voor verschillende intermedia projecten samengewerkt heb. Zijn invloed is dus zeker niet uit te sluiten. Maar dit werk voor de Klankatlas heb ik wel degelijk geconcipieerd om te beluisteren met een hoofdtelefoon ergens buiten in de openlucht. De klanken zijn zo samengesteld dat er zich gemakkelijk nog een nieuwe geluidslaag, uit de omgeving zelf, laat bij mixen. Dit principe heb ik ook toegepast in een ander geluidswerk Freewaystück, TONSPUR, für einem öffentlichen Raum dat ik in 2011 realiseerde voor een publiek voetgangerspad tussen de Berliner Dom en de Hochschule für Musik Hanns Eisler nabij de Humboldt-Box aan de Schlossplatz in Berlijn. Het stuk wordt afgespeeld op een achtkanaals geluidsinstallatie verspreid over de lengte van het wandelpad. Op het plein resoneerden de klanken, zoals het zwerfgeluid afkomstig van autostrades, over het landschap. Ik zoek in mijn werk sowieso ook niet de hoge volumes op, integendeel: stillere, ronkende geluiden intrigeren me veel meer. Ik sprak daarnet al over koelkasten. De luide muziek van Niblock heeft inderdaad een zeer fysieke impact. Je oor gaat er letterlijk van toe, de gehoorbeentjes proberen het oor op die manier te beschermen tegen de intensiteit van de decibels. Dat maakt de ervaring van zijn muziek ook zo speciaal, hij zoekt dat op. Stille geluiden hebben het omgekeerde effect; denk maar weer aan een brommende koelkast. Ze trekken het oor als het ware open, je wordt er rustig van en je kan het geluid ruimtelijk, bijna als een architectuur van kamers en gangen, gaan beluisteren. Je gaat anders luisteren, je richt je aandacht naar buiten.

Wat wil je communiceren aan je publiek?

Maria Blondeel: De Klankatlas is een kunstproject dat zich in het publieke domein plaatst, daarbij verschillende soundscapes samenbrengt en die in de vorm van een atlas aanbiedt aan de voorbijgangers. Er zijn ook bepaalde regels die de gebruiker nodig heeft om naar de klankkaarten te kunnen luisteren. Daardoor ontstaat er een soort betrokkenheid van de eerder toevallige bezoekers tijdens het gebruik van de atlas, er ontstaat een handeling, een interactie, een proces en misschien een draagvlak voor appreciatie. In zo’n kunstproject ben ik als kunstenaar niet aanwezig en dat biedt mij de mogelijkheid om de ‘onwetende’ bezoeker enkel met de ‘taal’ van het kunstwerk aan te spreken. Ik reik enkel een klankkaart van een geografische plaats aan. Doordat men er in de context van een ‘atlas’ naar gaat luisteren, ontstaan er oneindig veel manieren waarop men dit werk kan waarnemen. Het publiek genereert trouwens zelf een betekenislaag, in die zin dat de achtergrond van een luisteraar mee zijn of haar ervaring bepaalt. Hoe dan ook, zoeken de luisteraars naar een manier om de verschillende elementen van het kunstwerk te herinterpreteren.

Interview door Maarten Quanten.

Beluister alle soundscapes over Belgisch Limburg op de Klankatlas!

Reageren

Laat ons weten wat je denkt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste, en plaats een reactie

Artikel delen

t
f

Meer informatie

Meer van Maria Blondeel